Blog

Documentatie industrieel erfgoed: SAMGA gebouwen in Antwerpen

  |   Projecten PelserHartman

PelserHartman documenteerde in 2016 de silogebouwen van SAMGA in Antwerpen aan het Amerikadok met behulp van een speciale methode van 3D scanning. We leverden daarmee een bijdrage aan het behoud van een bijzonder stuk industrieel erfgoed. Bouwhistoricus en restauratie-expert Johan Grootaers en bouwhistoricus Jan van der Hoeve schreven  onlangs een uitgebreid artikel over de documentatie van en onderzoek naar de SAMGA-Silogebouwen voor Monumenten & Landschappen (MenL). De volledige tekst van het artikel is hieronder te lezen. Meer informatie over de bijdrage van PelserHartman aan dit project is te vinden onder het kopje "materiaaltechnisch onderzoek" in het artikel en in de blog die wij er destijds over schreven.

Documentatie industrieel erfgoed 3D scan

PelserHartman bracht de gebouwen van SAMGA in kaart met 3D laserscantechnieken voor bouwhistorisch onderzoek en documentatie (Foto: eigen materiaal PelserHartman).

De SAMGA-silogebouwen in de Antwerpse haven

Bedreigd industrieel archeologisch erfgoed wetenschappelijk onderzocht en gedocumenteerd

Johan Grootaers en Jan van der Hoeve

Het havenhuis met de iconische, nieuwe opbouw van Zaha Hadid († 2016) bracht de omgeving van het historische Amerikadok meteen internationaal in de belangstelling in de wereld van architectuur, erfgoed en stedenbouw. Het havenbestuur heeft er in 2013 resoluut voor gekozen om een beschermd monument, de brandweerkazerne uit 1922, als sokkel te gebruiken voor de nieuwbouw van Hadid. Historisch erfgoed en hedendaagse toparchitectuur al dan niet laten samengaan is vandaag een actueel thema (1). Men kan op zijn minst gewagen van het aftasten van grenzen en mogelijkheden. Dat het debat over dit gevoelige thema soms strijdlustig is, kan men alleen maar toejuichen. Het is minder bekend dat uitgerekend op een steenworp van het nieuwe Havenhuis, ter hoogte van de historische Royerssluis aan het Amerikadok, twee imposante monumenten van de Belgische industriële archeologie de skyline van de haven bepalen. Tegelijkertijd is het symptomatisch voor de relatie van een wereldhaven en haar kwetsbaar havenerfgoed. Enerzijds het majestueuze, bakstenen silogebouw uit 1895 met de allure van een burcht en anderzijds het aanpalende, betonnen silogebouw uit 1939, beide opgericht in opdracht van de Société Anonyme des Magasins à Grains d’Anvers (SAMGA).

De SAMGA-site vanuit het oosten. Van links naar rechts: silogebouw B uit 1939, silogebouw A uit 1895 en silogebouw D uit 1975-1977 (foto O. Pauwels)

Deze historische silogebouwen zijn recent beland in een schaakspel van beslissingen over de locatie van het in Antwerpen veelbesproken Oosterweelknooppunt in het tracé van de Oosterweelverbinding. Hoe dan ook, de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel nv (BAM) besliste in 2015 om een sloopaanvraag voor beide historische gebouwen in te dienen aangezien ze uitgerekend pal op de locatie van de Oosterweelknoop kwamen te liggen. Ondanks de niet-beschermde status van beide silo’s, was het agentschap onroerend Erfgoed van de Vlaamse overheid zich voldoende bewust van de industrieel-archeologische erfgoedwaarde, zeker voor wat betreft het silogebouw A uit 1895. De toon was meteen gezet: Onroerend Erfgoed wilde de sloopvergunning (2) wel schoorvoetend inwilligen, met als belangrijkste voorwaarde het voorafgaandelijk grondig bouwhistorisch, materiaaltechnisch onderzoeken en fotogrammetrisch documenteren van beide silogebouwen.

Er volgde door BAM nv een onderhandelingsprocedure met gunningscriteria om de bouwhistorische en materiaaltechnische documenteringsopdracht op korte termijn uit te voeren. Het multidisciplinair onderzoeksteam van Johan Grootaers Erfgoedexpertise comm.v. uit Leuven werd op basis van objectieve gunningscriteria unaniem verkozen (3). Het agentschap Onroerend Erfgoed volgde het onderzoeksproject nauwgezet op en zag toe op de kwaliteit van het eindrapport (4). De sloop van de silo’s zou pas groen licht krijgen als het onderzoeksproject inhoudelijk werd goedgekeurd (5).

Het project kan worden gerekend tot een van de meest  doorgedreven documenteringsopdrachten van industrieel-archeologisch erfgoed in België. In de wereld van de archeologie is documentering een ingeburgerde praktijk: wanneer naar aanleiding van geplande werkzaamheden het archeologisch bodemarchief niet in situ bewaard kan blijven, wordt het door middel van een opgraving uitvoerig gedocumenteerd (ex situ gebracht) voor de werkzaamheden het vernielen. In de sector gebouwd erfgoed is dit helemaal niet vanzelfsprekend. Onderzoek in het licht van sloop of bedreiging is voor bouwhistorici en erfgoeddeskundigen altijd een enigszins ontmoedigende taak.

Algemeen gezicht op silogebouw A en vlaksilogebouw C uit 1971 (foto J. Schoors)

De havenuitbreiding

De omgeving van de SAMGA-silo’s vormt vanuit industrieel-archeologisch oogpunt een bijzonder interessante scharnierzone. De meeste bouwhistorische objecten en structuren verwijzen er naar de havenuitbreiding van de late 19de en vroege 20ste eeuw, een periode van grote economische bloei (5).

Ten zuiden van de graanmagazijnen, tussen de Kattendijksluis en de Royerssluis, ontwikkelde de haven zich langs het Kattendijkdok; vooral de droogdokkensite vormt een belangrijk ensemble. Tijdens de hele 20ste eeuw was deze site een kloppend hart voor het onderhoud van schepen. Op de site bevinden zich negen droogdokken en twee pomphuizen alsook grote werkhuizen voor het onderhoud van scheepsonderdelen. In het begin van de 21ste eeuw vallen de havenactiviteiten op de site stil en is een herbestemming aan de orde. De stad Antwerpen wenst hier in de toekomst een nieuw maritiem museum onder te brengen en er werd al een ontwerpteam voor aangesteld.

Om de toegang tot het Amerikadok en het Lefebvredok uit 1907 mogelijk te maken werd in de jaren 1904-1907 de Royerssluis gebouwd, een nieuwe zeesluis als rechtstreekse doorsteek naar de Schelde. Tegenwoordig is deze site een boeiend stuk havenerfgoed. De sluis, de sluismeesterwoning, het sluiswachtershuisje, verschillende dienstgebouwen en een kolenbergplaats vormen samen eveneens een bijzonder ensemble. Een aantal van deze gebouwen is opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed, maar alleen de sluismeesterwoning is beschermd erfgoed (6).

Ten slotte speelt ook de Hogere Zeevaartschool, gebouwd in 1931-1933 naar ontwerp van Josse
van Kriekinge, een belangrijke rol binnen de ruimtelijke context van de SAMGA-gebouwen. Enerzijds richt dit modernistische gebouw de blik op de Schelde en anderzijds is het vanuit het stadscentrum gezien ook een blikvanger. De expansie van de school noodzaakt tot een uitbreiding van dit beschermd monument, een project dat in de steigers staat: de bouwaanvraag is momenteel in behandeling. Daarnaast ligt nog het Noordkasteel, de noordelijke bekroning en het sluitstuk van de 19de-eeuwse Brialmontomwalling, die als gevolg van de havenuitbreidingen in de tweede helft van de 19de eeuw grotendeels verloren ging. Alleen een stuk van de wal en de omringende gracht bleven bewaard; ze vormen tot op heden een gegeerd, groen recreatiegebied.

Erfgoedzorg in het havengebied

Erfgoedzorg in de uiterst dynamische, sterk economisch gestuurde omgeving van het Antwerpse havengebied is geen sinecure. Een (haven)industriële context stelt bijzondere eisen aan de gebouwen en de infrastructuur waar deze activiteiten gebruik van maken; wat verouderd is, wordt vervangen, wat zijn functie verliest, wordt afgebroken. Wanneer een industrieel-archeologische site zich daarenboven op een knooppunt van grote infrastructuurwerken bevindt, wordt de druk nog groter. De SAMGA-gebouwen bevinden zich op een locatie waar beide fenomenen zich uitdrukkelijk manifesteren.

De actieve havenactiviteit verschuift in Antwerpen stelselmatig naar het noorden. Eerst werd het Eilandje verlaten, maar nu wordt ook het havengebied aan beide zijden van het Kattendijkdok ingelijfd bij het verstedelijkte gebied. Deze evolutie heeft fundamentele gevolgen voor de fysieke verschijningsvorm van de omgeving. Tegelijkertijd biedt ze opportuniteiten voor nieuwe ontwikkelingen met oog voor het verleden. Langs de Schelde wordt op dit moment volop aan de realisatie van het Droogdokkenpark gewerkt; de droogdokkensite zelf zal tot een museumomgeving worden herbestemd.

De voorgenomen verbreding van de Royerssluis om ook grotere schepen aan te kunnen, vormt op haar beurt een grote bedreiging voor en een sterke verarming van het aanwezige erfgoedpotentieel. Hoewel er nog geen definitieve beslissing is genomen, is de afbraak gepland van de oorspronkelijke sluis en van de meeste bijgebouwen op de site. Alleen de beschermde sluismeesterwoning blijft gevrijwaard in de nieuwe constellatie.

De bouwgeschiedenis

De documenteringsopdracht omvatte de twee oudste silogebouwen van de Société Anonyme des Magasins à Grains d’Anvers (SAMGA), gelegen aan het Amerikadok, kaai 50 (silogebouw A) en kaai 48 (silogebouw B). Er bestonden nog geen publicaties die de bouwgeschiedenis en de industriële werking van de SAMGA-gebouwen in hun totaliteit behandelen. De silogebouwen worden wel kort vermeld in een aantal publicaties over de Antwerpse haven en de graanindustrie (7).

De stad en haar handelaars hebben op het einde van de 19de eeuw dringend nood aan nieuwe graanopslagplaatsen. Tot dan gebeurde het ‘zolderen’ van graan in lichters te water, omdat de kleinschalige opslag van graan in oude gebouwen te duur en te arbeidsintensief was. In de vroege jaren 1880 fungeerden de talrijke aangemeerde binnenschepen als graanopslagplaats, met verkeershinder en brandgevaar tot gevolg. In 1885-1887 richtte het stadsbestuur van Antwerpen het kort daarvoor verworven Hanzehuis of Oosters huis (1564) in als experimenteel graanmagazijn. Zo stonden de binnenplaatsen vol silo’s, geplaatst aan beide zijden van drie keldertunnels met transportbanden. Vermoedelijk sloten deze keldertunnels aan op losputten in het gebouw. Verticaal transport gebeurde ongetwijfeld door middel van jakobsladders. De silo’s moesten van bovenaf worden geladen en van onderaf gelost. In 1893 brandde dit magazijn af. De nood aan graanopslag werd daardoor acuut. Ondertussen was de SAMGA in 1892 opgericht door niet minder dan honderd handelaars en graanmakelaars (8). De stad Antwerpen gaf als eigenaar van de haven de SAMGA een terrein met een oppervlakte van 58.000 vierkante meter in concessie (9). Het eerste graanmagazijn, ontworpen door architect Frans Van Dijk, werd gerealiseerd in 1895 aan het Afrikadok, dat later geïntegreerd werd in het Amerikadok. Beide dokken kwamen tot stand in 1886-1887 op de plaats van het voormalige Noordkasteel (10). Het Afrikadok heet sinds 1891 het Lefebvredok.

Vanaf de 19de eeuw werd graan massaal per schip aangeleverd uit Rusland, Amerika en Canada. Bij goede oogsten kelderden de prijzen. Het was dus gunstiger om het graan op te slaan en in de loop van het jaar geleidelijk te verkopen. Onder gunstige omstandigheden kan graan vrij lang worden opgeslagen, maximaal twee tot drie jaar. Door het graan om te zetten, te verluchten en te reinigen kan de opslagtermijn worden verlengd. Misoogsten konden op die manier enigszins worden gecompenseerd. Op die manier konden ook strategische voorraden worden aangelegd in het geval van oorlog of andere calamiteiten. Binnen de stelling van Antwerpen was dat een belangrijke overweging.

Vanaf 1981 wordt alleen nog de naam Amerikadok gebruikt. In 1939 breidde de SAMGA haar activiteiten uit en werd een tweede graansilogebouw gebouwd (silogebouw B). Het nieuwe, betonnen graansilogebouw bestaat uit 50 karen met een totale opslagcapaciteit van 27.000 ton. De site werd verder uitgebreid in 1971 met een laag silogebouw tegen silogebouw A (vlaksilogebouw C). In 1977 werd ten westen van de site een vierde silogebouw geopend met een opslagcapaciteit van wel 45.000 ton graan (11).

Frans Van Dijk, presentatie- tekening met gedeeltelijke plattegronden van kelder, karenverdieping, doorsneden en gevelaanzichten, 1893 (Dienst Monumentenzorg Stad Antwerpen)

Het ontwerp van architect Frans Van Dijk

De ontwerper van het SAMGA-silogebouw A is architect Frans Van Dijk (1853-1939). Zijn oeuvre en zijn levensloop zijn gebundeld in een verdienstelijke publicatie van Jos Huybrechts, kleinzoon van de architect (12). Van Dijk was een typische vertegenwoordiger van de eclectische en historiserende architectuur, die in Antwerpen een bloeiperiode kende rond de eeuwwisseling. Zijn œuvre is qua programma zeer uiteenlopend en is vooral geconcentreerd in de stad Antwerpen. Het omvat zowel privéwoningen en pakhuizen als bank- en kantoorgebouwen. Zijn bekendste ontwerpen zijn het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van 1884-1890, in samenwerking met Jean-Jacques Winders, en de Sint-Michielskerk uit 1893-1897.

Daarnaast ontwierp hij tijdens zijn loopbaan circa vijftig woningen, waaronder achttien panden in de Zurenborgwijk. Van Dijk was professor aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, waar hij als student zijn diploma had behaald. Na zijn studies volgde hij stage bij de Antwerpse architect Joseph Schadde, van 1870 tot 1881. Daarna werkte hij tot de Eerste Wereldoorlog als zelfstandig architect.

De oorspronkelijke bouw van de SAMGAgraansilo uit 1895 is zeer goed gedocumenteerd. Enerzijds zijn er de originele bouwplannen en detailtekeningen van de installaties van architect
Frans Van Dijk (13). Hiertoe behoort ook een niet uitgevoerd ontwerp voor de kopgevel van silogebouw A met een neobarok bovenbouwfronton. Anderzijds zijn er de twee gedrukte bestekken uit 1893 van de architect (14).

Het bestek over de installaties (outillage) bevat vanuit industrieel-archeologisch oogpunt een schat aan informatie over materiaalkeuze en technische terminologie op het einde van de 19de eeuw. De transportbanden in de keldergalerijen bijvoorbeeld, waar het graan in trechters vanuit de karen toekwam op transportbanden, zijn courroies en coton impregné et revêtu de caoutchouc (banden van geïmpregneerd katoen en bekleed met rubber). Het bestek van de installaties bevat een hoofdstuk over liften en jakobsladders (élévateurs) waarmee het graan vanuit het souterrain zijn weg vervolgt naar vergaarbakken en trechters. De liften hebben een capaciteit van 100 ton graan per uur.

Bijzondere aandacht kreeg de ventilatie (ventilation) in de silo’s, met een vermogen van 10.000 kubieke meter lucht per uur. Vervolgens behandelt het bestek de toestellen om het graan te zeven en te reinigen (appareil à cribler et nettoyer le grain), elk met een capaciteit van 50.000 kilogram graan per uur. De productie van weegschalen en afzakmachines (balances et ensacheurs) werd uitdrukkelijk toegewezen aan de Mühlenbaufirma A. Millot uit Zürich en C. Reuther & Reisert uit Hennef bij Bonn (Hennefer Maschinenfabrik Reuther und Reisert).

De aannemer van de installaties was niet bevoegd om de elektrische motoren en dynamo’s te plaatsen, maar alleen voor werkzaamheden die betrekking hadden op assen, mouwstukken, drijfwielen, schotten, smeersystemen, fixeerbouten, hendels en koppelpoken. De aannemer was ook verantwoordelijk voor de vakkundige verankering van alle installaties en transportsystemen in de bouwmuren en de vloeren. Speciale aandacht vroeg de vereiste kwaliteit van de materialen, in het bijzonder de metalen: zacht staal, staalplaat, geklonken delen, gietijzer van zogenaamde tweede geut (grijs gekleurd), gewalst staal, smeedwerk, laswerk enz. en zeer precies, bellenvrij, naadloos en maatvast glas, alsook blank vervaardigde bronzen, koperen en messing onderdelen. Contactvlakken tussen houten buizen en metalen bekledingen moesten perfect passen met verzonken schroeven en gefreesde schroefdoppen. Alles wijst erop dat de hele, goed geoliede machinerie van het graansilogebouw in werking afhankelijk was van de perfecte kwaliteit en afwerking van de kleinste onderdelen. Een klein mankement op een bepaalde plaats kon grote gevolgen hebben voor de werking en het economische rendement van de hele installatie.

Ten slotte een interessante vermelding van de gevraagde kwaliteit van al het ijzerwerk dat niet rechtstreeks in aanraking kwam met het graan: het moest worden geschilderd in trois couches de peinture à l’huile; la première au minimum, la deuxième au brun chocolat, la troisième au noir de fumée (lampzwart).

Frans Van Dijk, bouwtekening met kelder- en funderings- plattegrond, dwarsdoorsnede en gedeeltelijke langsdoor- snede, 1893 (Dienst Monumentenzorg Stad Antwerpen)

De werking van silogebouw A

De kern van het silogebouw A uit 1895 bestaat uit honderdvierenveertig karen van verschil lende grootte: dit zijn verticale silo’s of cellen voor de opslag van graan. De aanvoer van graan gebeurde tot laat in de 20ste eeuw hoofdzakelijk per schip. Het lossen van de schepen gebeurde door middel van graanzuigers en een elevator, die het graan in losputten onder de kade stortten. Die stonden in open verbinding met de keldergangen. Via een stelsel van lopende banden werd het graan naar de toren- of machinegebouwen op de beide kopeinden getransporteerd, die waren ingericht voor verticaal transport door middel van jakobsladders, weging en reiniging. Van daaruit ging het graan naar de zolders boven de silo’s, die dienden als distributiegebouw om de karen te vullen. Dat kon alleen van bovenaf. Voor de afvoer van graan werden de karen (15) aan de onderzijde geheel of gedeeltelijk geledigd. De meeste karen voerden het graan af via de lopende banden in de keldergangen. Het graan werd daar weer getransporteerd naar de toren- en machinegebouwen, waar het gereinigd en gewogen werd. Via laadbuizen kon het graan in schepen worden geladen. Een aantal karen loste het graan niet op de lopende banden in de keldergangen, maar in ruimten op de bel-etage met laadplatforms. Daar bevonden zich machines om zakken te vullen. Het graan, verpakt in zakken, kon per trein of wagen worden afgevoerd.

Het graan kon op die manier ook worden ‘rondgepompt’. Karen konden worden geledigd op de transportbanden in de kelders, opgevoerd via de jakobsladders in de toren- of machinegebouwen en via het distributiegebouw weer verdeeld in karen (16). Bij langdurige opslag is rondpompen of ‘omzetten’ nodig voor een betere houdbaarheid. Het is op die manier ook mogelijk om de graansoorten te mengen. Ten slotte is het voor een gelijkmatige gewichtsverdeling in het gebouw van belang om graan te kunnen herverdelen over het gebouw. Dit vraagt uiteraard een uitvoerige administratie: welk graan ligt in welke kaar?

Het gebouw bleef in deze hoofdopzet ongewijzigd tot 1944. In dat jaar raakte het gebouw aan de noordzijde ernstig beschadigd door de inslag van een V1-bom. Bij de herbouw in 1945 vond tevens een modernisering van alle installaties plaats. Voor een betere distributie werd de zolder vervangen door een tweelaagse opbouw boven de karen. Tegelijkertijd werden de beide flankerende toren- of machinegebouwen verhoogd.

Een volgende modernisering van de installaties vond plaats in de jaren 1970 en 1980. De verdeling van graan over silogebouw A werd aanzienlijk vereenvoudigd door al het verticale transport te concentreren in een van de machine- of torengebouwen. Maar de koppeling met de silogebouwen C en D zorgde voor een zeer complexe installatie met talloze tussen- en doorverbindingen. Veel graan werd sindsdien aangevoerd via een verbindingsbrug tussen de silogebouwen A en D. Bovendien zijn in die periode enkele groepen karen voorzien van aparte vulinstallaties. De losputten in de kade kwamen in onbruik. Het lossen van schepen gebeurde nog uitsluitend via de losput voor silogebouw D. Silogebouw A heeft alleen nog een losput voor vrachtwagens. De afvoer van graan gebeurde steeds minder in zakken. De laadplatforms voor treinen en vrachtwagens raakten in onbruik. Bovendien was graan in de late 20ste eeuw al lang niet meer het enige product dat in silogebouw A werd opgeslagen.

Frans Van Dijk, bouwtekening met doorsnede van een torengebouw met installaties, 1893 (Dienst Monumentenzorg Stad Antwerpen)

Karen

Zoals gezegd, bestaat het grootste gedeelte van silogebouw A uit karen, cellen of (verticale) silo’s voor de opslag van granen. Dit zijn hoge, gesloten ruimten met aan de bovenzijde een vulopening en aan de onderzijde een uitstortopening. De karen staan in twee rijen van drie, een noordelijke en een zuidelijke reeks. Elke reeks karen wordt aan de onder- en bovenzijde bediend door één transportband.

Dit systeem van opslag in karen is ongewijzigd sinds de bouw in 1895, afgezien van de vernieuwing van de betonnen zoldervloer met vulopeningen uit 1945. Omdat alle (verticale) karen vanaf de bovenzijde worden gevuld, moest al het aangeleverde graan naar het distributiegebouw bovenop de karen worden opgevoerd. Daar werd het verdeeld over de karen. Voor het vullen van de karen was er een ‘vulschema’. Ongelijkmatige vulling van de karen zorgt namelijk voor ongelijkmatige gewichtsverdeling van het gebouw en dus de kans op scheurvorming van de karen. In een kantoortje van het distributiegebouw werd een schrijfbord aangetroffen, waarop men de vulling van de karen bijhield.

De meeste karen hebben een hoogte van 20 meter. De wanden van de karen zijn opgetrokken in een stalen vakwerkconstructie met metselwerkvulling, verstevigd door stalen trekstangen. Voor zover zichtbaar zijn de vakwerkvullingen oorspronkelijk uitgevoerd in schoon metselwerk. Alleen bij herstellingen en vernieuwingen is een raaplaag toegepast. Aan de onderzijde lopen de karen trechtervormig toe en in de punt is een gietijzeren uitstortmond met klep aangebracht. De trechtermonden van deze zes rijen karen zijn zodanig gericht, dat ze uitmonden boven de twee keldergangen. De bovenzijde van de karen is afgedekt met een betonnen plaatvloer met balken: dit is de zoldervloer van het distributiegebouw uit 1945. In deze betonnen zoldervloer bevinden zich rechthoekige ‘stortgaten’, voorzien van open roosters en stalen luiken.

Kelders: horizontaal transport

Het gehele gebouw is onderkelderd, maar alleen de overwelfde, bakstenen gangen in de lengte van het gebouw en de onderruimten van de laaden losplatforms op de hoeken zijn toegankelijk. De ruimten onder de karen zijn ontoegankelijk, zelfs voor onderhoud. Het onderhoud van de karen was dus alleen mogelijk door af te dalen vanuit de laadopeningen in het distributiegebouw.

De twee keldergangen in de lengte van het gebouw spelen een cruciale rol in de werking van het gebouw. Via de losputten en gangen onder de kade kwam het graan aan in deze keldergangen, waar het transport naar de machine- of torengebouwen gebeurde via transportbanden. Ook voor de afvoer van graan speelden de gangen een cruciale rol. Bijna alle karen monden uit in deze gangen, behalve enkele karen aan beide zijden van de torens. De transportbanden beslaan de volle lengte van het gebouw en lopen tegenwoordig nog maar in één richting. Al het inkomende of uitgaande graan wordt naar de westelijke torens vervoerd. In deze torens wordt het graan/zaad overgestort in de jakobsladders, die het naar boven transporteren. De huidige installaties dateren uit de jaren 1970 en 1980. Ook in de oorspronkelijke opzet was er sprake van lange transportbanden. Die liepen oorspronkelijk in twee richtingen, zodat afwisselend de jakobsladders in het westelijke en oostelijke machine- of torengebouw bediend konden worden. De jakobsladders in de oostelijke torens zijn buiten gebruik gesteld en uiteindelijk gesloopt.

Op de bel-etage bevinden zich vijf laad- en losplatforms om treinen en wagens te beladen, vier op de hoeken van het gebouw en één in het midden van de zuidgevel. Deze ruimten hebben stalen liggers met bakstenen troggewelfjes. In de plafonds zijn nog restanten te vinden van de machines om zakken te vullen. Hardstenen trappen leiden naar de onderruimten in de kelder, die op hun beurt toegang geven tot de keldergangen.

Tijdens het onderzoek stonden de kelders volledig onder water. Dit was geen recent probleem, getuige de aanwezige waterpompen. Oud-werknemers wisten ook te vertellen dat vocht in de keldergangen een aanhoudend probleem was, toch zeker in de laatste periode van gebruik.

Machine- of torengebouwen: Verticaal transport

In de torens 3 en 4 van het westelijke machineof torengebouw wordt het inkomende en uitgaande graan naar boven getransporteerd door middel van twee jakobsladders, die beide aansluiten op een van de keldergangen; het werd ook gereinigd en gewogen. De reiniging gebeurt door het uitblazen of het afzuigen van vuil en plantenresten. Om te wegen is er een groot weegtoestel aanwezig. De huidige installaties dateren uit de jaren 1970 en 1980. Alleen delen van de behuizing van de jakobsladders dateren nog uit de bouwtijd, herkenbaar aan de klinknagelbevestigingen. Deze datering geldt ook nog voor een van de stalen trappen. De andere trap heeft in de jaren 1930 plaatsgemaakt voor een lift. De huidige installatie valt moeilijk te doorgronden door de verbindingen met silogebouw D, afsplitsingen voor aparte groepen karen en diverse doorkoppelingen. Bovendien is er een apart leidingtracé ingebracht voor de afvoer van vuil. Een van de karen aan de zuidzijde is zelfs speciaal in gebruik
genomen om vuil af te voeren.

Beide jakobsladders zijn bovenaan met elkaar verbonden door middel van een redler. (17) Deze redler is essentieel in het hele transportsysteem voor het omzetten en het herverdelen van graan en zaad, omdat dit de enige verbinding is tussen de reeksen karen aan de noord- en zuidzijde. Elke reeks heeft immers alleen een eigen transportband in de keldergang en een eigen transportband in het distributiegebouw.

Het oostelijke machine- of torengebouw is in fasen buiten gebruik geraakt, naarmate meer krachtige en efficiënte installaties en machines het mogelijk maakten om al het verticale transport via één torengebouw te regelen. Dat was een aanzienlijke vereenvoudiging van het proces binnen het gebouw. In het oostelijke machine- of torengebouw zijn alleen nog resten van de installaties uit 1895 te vinden. De rest is gedemonteerd, inclusief de laadbuizen voor de schepen. In dit machine- of torengebouw
bevonden zich namelijk laadbuizen voor schepen, aangesloten op de jakobsladders. Ook hier is een originele stalen trap behouden gebleven.

Distributiegebouw: horizontaal transport

Boven de karen bevindt zich het tweelaagse distributiegebouw uit 1945, volledig opgetrokken in een betonskelet. Om de karen te vullen zijn hier twee hoge transportbanden aanwezig, aangesloten op de noordelijke, respectievelijk zuidelijke jakobsladder in het westelijke machine- of torengebouw. Door middel van deze twee transportbanden moeten de zes rijen karen gevuld kunnen worden. Dat gebeurt door middel van zogenaamde shuttles, verrijdbare trechterbakken met zijwaartse stortbuizen.
Deze shuttles wiggen de transportband steeds plaatselijk omhoog, zodat het graan op die plek in een trechterbak van de shuttle valt. Via zijdelingse uitstortopeningen en een stelsel van laadbuizen kan het graan telkens worden verdeeld over drie rijen karen. Helaas kunnen de buizen geen vast onderdeel zijn van de shuttle. Bij verplaatsing ervan staan de kolommen van de draagconstructie namelijk in de weg. Dus moeten de laadbuizen na verplaatsing telkens opnieuw aan de shuttle worden verbonden. Aan de ene zijde van elke transportband is sprake van een verrijdbaar platform met een gevorkte laadbuis; daarmee worden de twee rijen karen in de middenzone gevuld. Aan de andere zijde van de transportband gebruikt men tussenbuizen op steekkarretjes; daarmee worden de karen in de buitenste rij gevuld.

Silogebouw A, overzicht van het interieur van het distributiegebouw uit 1945 met restanten van de installaties (foto J. Schoors)

Per transportband zou één shuttle volstaan om alle karen te vullen, maar er zijn twee stuks aanwezig. Dat heeft te maken met de oversteek van een laadbuis voor de afvoer van graan in schepen midden in het distributiegebouw. Oorspronkelijk bevonden de laadbuizen zich in het oostelijke machine- of torengebouw, gekoppeld aan de jakobsladders aan die zijde. Op oude foto’s zijn deze laadbuizen aan de buitenzijde van het gebouw herkenbaar. De huidige laadbuis bevindt zich aan de noordzijde (de gevel aan de zijde van het dok) en is gekoppeld aan de transportbanden in het distributiegebouw. De afvoer van het graan vanaf de transportbanden gebeurt door middel van redlers. De redler van de zuidelijke transportband steekt in het midden van het gebouw over naar de noordzijde, waar zich de laadbuis bevindt. Deze dwarsgeplaatste redler verhindert de doorgang van de shuttles. Daarom zijn er vier shuttles nodig, twee per transportband.

Enkele groepen karen kunnen worden gevuld door middel van afwijkende systemen van vulbuizen. Ook deze doorkruisen de hoofdopzet. In de laatste gebruiksfase maakte men bovendien gebruik van luchtpompen, die het graan via de laadopeningen uit de silo’s kunnen opzuigen. Dan hoeft het graan bij omzetten of herverdelen niet door het gebouw rondgepompt te worden. Het transport via de keldergangen kan dan worden vermeden. Dit heeft mogelijk te maken met het hoge vochtgehalte in de keldergangen (18).

De huidige installaties in het distributiegebouw stammen uit de jaren 1970 en 1980, maar de opzet is nog die van het ontwerp van 1945. Enkele oudere onderdelen zijn hergebruikt. De oorspronkelijke opzet van het distributiegebouw kan alleen nog worden afgeleid aan de hand van tekeningen en foto’s. Er was sprake van een brede en hoge middenbeuk onder een zadeldak, geflankeerd door lage zijbeuken met lessenaarsdaken. De brede middenbeuk bevatte twee lange, ononderbroken transportbanden, aansluitend op de vier jakobsladders in de torens van de machine- of torengebouwen. Deze banden werden elk geflankeerd door hoge platforms, voorzien van vaste, korte uitstortbuizen. Op deze uitstortbuizen konden drie soorten losse laadbuizen worden gemonteerd
om de verschillende rijen karen te vullen. Ook in de oorspronkelijke opzet moet er sprake zijn
geweest van wigvormige shuttles in de transportbanden, die het graan zijdelings afvoerden naar de eerdergenoemde uitstortbuizen.

De omringende installaties en transportvoorzieningen

Het aannemingsbestek maakt expliciet melding van een tourelle avec élévateur au quai 49, aan de loskade ten oosten van silogebouw A, die gebruikt kon worden om schepen te laden en te lossen. Bij het lossen van de schepen werd het graan via de jakobsladder aan de kraanarm, een transportband en een losbuis getransporteerd naar de gangen in de loskade en de keldergangen. Van daaruit kon het graan over het hele gebouw worden verdeeld. Bij het beladen van de schepen kwam het graan via losbuizen in het oostelijke machine- of torengebouw aan in deze tourelle, waar het graan via een los aan te sluiten buis in het scheepsruim kon worden geladen. Het hele gebied rond de silo was voorzien van Waalse kasseien in porfier. Onder de kaden bevond zich een stelsel van laadputten en tunnels, die in verbinding stonden met de bakstenen keldergangen van het silogebouw.

Het ontwerp voorzag tevens een spoorwegplan aan de kaaien rondom de silo, met inbegrip van wissels en draaischijven. Spoorwegwagons reden af en aan op de verharde kaden langs kaai 49 en het Lefebvredok. Tot op heden behoort deze aanleg onlosmakelijk tot de industrieelarcheologische site. Aan de kop ten westen van silogebouw A stond een lagere bebouwing in historiserende bouwstijl. Die omvatte behalve een bureau en verblijfsruimten ook het ketelhuis, de machinezaal en de kolenberging. Daarnaast stond een metershoge fabrieksschoorsteen. Stoomdrijfkracht was de toenmalige technologie voor de hydraulische aandrijving van alle machines in het silogebouw.

Materiaaltechnisch onderzoek

De studie van de SAMGA behelsde ook een multidisciplinair materiaaltechnisch onderzoek. Het bestek van de opdrachtgever voorzag aanvankelijk in een traditionele fotogrammetrische documentering en opmeting van de silogebouwen. Het onderzoeksteam kon de opdrachtgever en het agentschap Onroerend Erfgoed er echter van overtuigen dat high end 3D-laserscantechnieken voor dit project een betere oplossing boden. 3D-laserscannen gaat sneller, kost minder en het eindresultaat is accurater. Een scanner draait rond en zendt op hoge snelheid laserstralen uit. Alle zaken die zichtbaar zijn vanaf de standplaats van de scanner worden razendsnel zonder gebruik van reflectiepunten ingemeten. Daardoor ontstaat er een wolk van miljarden meetpunten, ook wel pointcloud genoemd. De laserscanner vangt een gebouw of een object in een puntenwolk en vormt zo direct een geometrisch correct 3D-model, met hier voor de SAMGA 2D-tekeningen van gevels, plattegronden en dwarsdoorsneden.

Extra aandacht ging in de SAMGA uit naar het gedetailleerd in kaart brengen van elementen met erfgoedwaarde, zoals jakobsladders, metalen trappen, binnendeuren, de betonnen portiekconstructies van de bovenbouw uit 1945 enz. Op basis van de laserscandata maakte de firma Pelser & Hartman ook orthofoto’s van het gebouw en het interieur. De afbeeldingen zijn geometrisch correct op schaal en werden gebruikt bij het bouwhistorisch onderzoek. Als aanvulling op de 3D-lasermetingen maakte architectenbureau Pajo Plan detailopmetingen van waardevolle, oorspronkelijke onderdelen van trappen, metalen binnendeuren en buitenvensters. Telkens met aandacht voor originele verbindingen en constructiedetails.

Silogebouw A, orthofoto van het interieur van het distributiegebouw uit 1945 (PelserHartman 3D Measuring Solutions Den Bosch)

Voor de buitenkant van silogebouw A uit 1895 werden traditionele, inheemse bouwmaterialen en historiserende stijlprincipes toegepast. Met name een sober bakstenen neoclassicisme met toepassing van hoge sokkels, rijzige pilasters, rondbogen, verdiepte spaarvelden en strakke cordonlijsten. Het gebruik van de traditionele Boomse handvormbaksteen samen met gefrijnde Henegouwse karboonkalksteen Petit Granit is treffend. Franse steen van Morlay werd alleen toegepast voor de grote inscriptieplaketten in de kopgevels. Typisch is het gebruik van zwart gesmoorde handvormsteen enerzijds en anderzijds speklagen in gekleurde baksteen. Het gevelvoegwerk werd kennelijk in de massa gepigmenteerd (19).

Helemaal in de geest van de laat 19de-eeuwse en vroeg 20ste-eeuwse burgerlijke architectuur werd ook in de SAMGA systematisch gekozen voor zogenaamde troggewelven met metalen liggers. Dat gold ook voor de afdekking en de brandwering van de karen, alsook voor de oorspronkelijke vloer van het distributiegebouw. In tegenstelling tot de gebruikelijke bouwsystematiek zijn de gewelfkapjes hier niet alleen uitgevoerd in baksteen maar ook in een cementgebonden, grove mortel met grove grindtoeslag. Uit de laboanalyse blijkt dat het gaat om een vroege en zeldzame toepassing van hoogovencement in de utilitaire laat 19de-eeuwse architectuur (20).

De bouw van een nieuwe, gewapend betonnen distributieverdieping van silogebouw A in 1945 werd uitvoerig bestudeerd. Op de nieuwe werkvloer kwam een opmerkelijk groot en ruim distributiegebouw tot stand met aan de beide kopse zijden een opbouw. In de verder volledig open ruimte kwamen drie dubbele portaalbruggen van gewapend beton tot stand voor het horizontaal transport. De betonconstructie is uitgevoerd in zogenaamd schoon werk. Later, onder invloed van Le Corbusier werd dat béton brut genoemd. Ten tijde van de bouw in 1945 waren de arbeidskosten ten opzichte van de materiaalkosten nog zo laag dat de betonconstructie volledig met de hand kon worden bekist. Wat verder opvalt aan de constructies, is het gebruik van een halfsteens buitenblad aan de buitenzijde, vervolgens een spouw en een aan de binnenzijde gepleisterd binnenblad.

Het deelonderzoek ‘metaal’ focuste op de oorspronkelijke stalen, gietijzeren en gesmede onderdelen van silogebouw A. Binnen een bouwwerk met industriële allures zijn dergelijke constructietechnieken courant. Constructies met klinknagels zijn karakteristiek. Enkele gietijzeren kolommen die onderslagbalken van troggewelven opvingen, zijn bewaard gebleven. Twee stalen trappen van de westelijke en oostelijke torenbouw zijn nog intact bewaard gebleven.

Er werd een viertal metalen venstertypes en traliewerken geïdentificeerd. De meeste buitenvensters uit 1895 zijn nog bewaard met de bijzonderheid dat ze bij de ruwbouw werden ingemetseld in de dagkanten. Het oorspronkelijke glas is zogenaamd Oceanic byzantijns fijn, volgens het procedé van machinaal gerold figuurglas (21). De metalen vensters van de distributieverdieping uit 1945 hebben alle technische kenmerken van interbellumschrijnwerk.

Ten slotte werd, eerder ongebruikelijk voor een laat 19de-eeuws industrieel gebouw, een stratigrafisch kleuronderzoek uitgevoerd. Het interieur van silogebouw A moet van in het begin wit gekleid geweest zijn (22). Er werd bewust voor kleien met luchtkalk gekozen wegens zijn schimmelwerende en aseptische eigenschappen in een milieu waar voedingsstoffen worden verwerkt. De metalen onderdelen uit 1895 waren oorspronkelijk overwegend geschilderd in grijze en bruingrijze standolieverven. Men kan niet stellen dat de bonte kleuren van de siloinstallaties uit de jaren 1970 en 1980 (geel/ oranje/groen) een functionele betekenis hadden.

Besluit en erfgoedwaarde

Kenmerkend voor grote havensteden zijn hun gebouwen voor op- en overslag. Een van de belangrijkste producten daarvan is graan. Graan werd vanaf circa 1870 in stoomschepen uit Rusland, Amerika en Canada aangevoerd. Een te groot direct aanbod deed de prijzen kelderen. Daarom besloot men tot opslag en geleidelijke distributie. Bovendien waren voorraden van strategisch belang in de steeds grotere bevolkingscentra. Tegen het einde van de 19de eeuw kwamen in de belangrijke havensteden grote silogebouwen tot stand. Zo ook in Antwerpen, eerst met het Hanzehuis (1885-1887). Dit bleek onvoldoende, zodat honderd handelaars en graanmakelaars in 1892 gezamenlijk besloten tot de oprichting van de Société Anonyme des Magasins à Grains d’Anvers (SAMGA). De bouw van een reusachtig silogebouw werd gepland. Architect Frans Van Dijk had zich bij het ontwerp van het silogebouw voor de SAMGA goed voorbereid. In de plannenbundel van de SAMGA zijn een aantal silogebouwen gedocumenteerd uit Londen, Liverpool, Ludwigshafen, Mannheim
en Frankfurt.

Als industrieel-archeologisch erfgoed is het SAMGA-silogebouw A van groot belang. Het is een van de oudste in zijn soort is en door zijn Europese schaal voor België bijzonder en zeldzaam. Dit geldt zowel voor zijn onderbouw uit 1893-1895 als voor de distributiebovenbouw uit 1945. Bijzonder is de aanvoer van graan via losputten in de kaden, ondergrondse gangen naar de kelders van het silogebouw. Tot op
heden bepaalt deze oorspronkelijke omgevingsaanleg mede de erfgoedwaarde van de site. Dat was ook al het geval bij het Hanze- of Oosters huis, maar daar werd de installatie ingepast in een bestaand gebouw. Bij nieuwgebouwde graansilo’s in de late 19de eeuw lijkt de graanaanvoer en -afvoer via de kelders een weinig voorkomend verschijnsel. Bij de afvoer via de laadbuizen in schepen moet het graan immers opnieuw omhoog worden gevoerd. Het is efficiënter om het graan op de begane grond te lossen. Dan kunnen ook treinwagons onder de silo’s worden gereden. Bij silogebouw A waren enkele laadplatforms voorzien om treinwagons te beladen, met een klein aantal silo’s dat erop aansloot. Voorlopig is het enige voorbeeld van transport via de kelder gevonden in GalatzBraila (Galati) in Roemenië, uit 1891-1892 (23). Dit silogebouw wordt onder meer besproken in de Duitse naslagwerken over Gebäude für die Zwecke der Landwirtschaft und der Lebensmittelversorgung van Schubert & Schmitt uit 1901 en 1913 (24).

De werking van silogebouw A kan worden afgeleid uit de bouwmassa en architectuur. Het middengebouw met de karen wordt geflankeerd door twee torengebouwen voor verticaal transport, inclusief reiniging en weging. Horizontaal transport en verdeling van het graan over de karen gebeurt via het in 1945 vernieuwde distributiegebouw, duidelijk herkenbaar als bekroning van het gebouw. In de kade bevinden zich de losputten, verbonden met de keldergangen. Deze keldergangen dienden voor horizontaal transport, zowel bij inkomend als uitgaand graan. Dit is het basement van het gebouw. Op de bel-etage zijn er ruimten om zakken te vullen, gekoppeld aan laadplatforms voor treinen en wagens. De rails zijn nog deels zichtbaar.

De trots van de Société Anonyme des Magasins à Grains d’Anvers op het silogebouw is afleesbaar in de representatieve architectuur. Men koos voor een historiserende, neoclassicistische opzet en luxueuze uitvoering, die eerder aan een burcht dan aan een industriegebouw doet denken: een graanburcht. Maar het gebouw was vooral ook functioneel. Dat blijkt niet alleen uit de logische opzet en lay-out, maar ook uit de toepassing van moderne technieken en bouwmethoden. Zo zijn de karen gemetseld in baksteen en met een inwendig ijzeren skelet. In de torengebouwen is gebruikgemaakt van stalen vloeren met betonnen troggewelven, wat voor die tijd vroeg kan worden genoemd. Het herstel van de oorlogsschade als gevolg van een ingeslagen V1 was de aanleiding voor een grondige modernisering van de installaties. Ook het distributiegebouw werd vernieuwd. In de plaats van een krappe zolder koos men voor een ruim opgezette opbouw van twee verdiepingen. De gewapend betonnen constructie is bekleed met bakstenen spouwmuren. Ook de torengebouwen zijn verhoogd. Ook hierbij koos men voor een passende architectuur, waarmee het gebouw een fraaie bekroning kreeg. Die bepaalt het beeld van de skyline van Antwerpen.

De cultuurhistorische waarde van het silogebouw A van de SAMGA wordt nog versterkt door een tweede historische silo, namelijk silogebouw B uit 1939. Het gebouw is veel moderner qua opzet en uitvoering. Anders dan bij silogebouw A heeft het gebouw maar aan één zijde een torengebouw met verticaal transport, reiniging en weging. Onder het karengebouw bevindt zich een royale silozaal, waarvan de vloer aansluit op de laadplatforms tegen de langsgevels. Horizontaal transport gebeurt via de transportbanden in de silozaal en in een ruime kelder. Een opbouw op het dak van het karengebouw bevat de installaties voor de distributie. De hele constructie is uitgevoerd in gewapend beton, van de zware onderbouw met de paddenstoelvloeren tot de ranke betonconstructie van het distributiegebouw boven de karen (25). Voor de karen is een vroeg soort glijbekisting toegepast met gebruik van triplexplaten.

Ook silogebouw B heeft losputten voor schepen, treinen en vrachtwagens. Verder kan een graanzuiger op de kade de schepen lossen, tegenwoordig op een transportband aan de buitenzijde van het gebouw. Alle installaties zijn in de jaren 1970 en 1980 vernieuwd.

Tot besluit kan worden gesteld dat het hier in de SAMGA vanuit industrieel-archeologisch oogpunt gaat om een uniek havencomplex van twee silogebouwen. Zeker voor silogebouw A uit 1895 bestaat er geen vergelijkbaar voorbeeld elders in Europa. De erfgoedwaarde is eminent aanwezig en reëel. Momenteel is verder onderzoek in voorbereiding met het doel een alternatief tracéontwerp op te stellen dat zowel het Noordkasteel als de SAMGA maximaal zou vrijwaren en de sloop zou afwenden. Het is nu zaak om zeker voor silogebouw A de procedure tot bescherming als industrieel archeologisch monument in te leiden bij de Vlaamse overheid. Dit onderzoeksproject levert daartoe een uitgelezen, wetenschappelijk onderbouwde kans.

Johan Grootaers is bouwhistoricus en restauratie-expert.
Jan van der Hoeve is bouwhistoricus.

point cloud 3D scan documentatie SAMGA

Uitsnede uit de pointcloud van het Silogebouw A (eigen materiaal PelserHartman)

Ook 3D scannen voor bouwhistorisch onderzoek of documentatie?

PelserHartman heeft veel ervaring met het in kaart brengen van (industrieel) erfgoed met behulp van 3D laserscantechnieken voor restauratie-, documentatie- en onderzoeksdoeleinden. Zo maakten we eerder 3D scans van de Sfinx fabriek in Maastricht en KVL Lederfabriek in Oisterwijk. Daarnaast maakten we ook een uitgebreide documentatie van de archeologische resten van de Spaanse Omwalling in Antwerpen.

Heeft u ook een project waar u onze hulp bij zou kunnen gebruiken? Neem dan vrijblijvend contact met ons via +31 73-6135729 of mail naar [email protected]

Eindnoten behorende bij het Artikel

(1) In memoriam Zaha Hadid (1950-2016), in Gypsum, 7, 2016.
(2) Sloopvergunning van 30 april 2015. De silo’s waren in 2008 voor het eerst het voorwerp van een sloopaanvraag van de toenmalige concessiehouder Boormalt nv, die
toen geweigerd werd. In 2010 volgde een nieuwe sloopaanvraag, die effectief toegestaan werd door het college van burgemeester en schepenen op 15 maart 2010 aan de eigenaar Boormalt nv. In deze bescheiden wordt met geen woord gerept over erfgoedwaarde of het nationaal industrieel-archeologisch belang. De laatstgenoemde sloopaanvraag kwam te vervallen en opnieuw volgde een aanvraag tot afbraak, die door het college van burgemeester en schepenen werd geweigerd op 12 oktober 2012. Zie Dienst Monumentenzorg Stad Antwerpen, Dossier SAMGA.
(3) GROOTAERS J., VAN DER HOEVE J. en. STENVERT R., SAMGA-silogebouwen te Antwerpen. Bouwhistorisch en materiaaltechnisch onderzoek en documentering, onuitg. onderzoeksrapport, 8 dln., Leuven, 2016.
(4) Erfgoedconsulenten industrieel erfgoed van het agentschap Onroerend Erfgoed Martijn Kivit en Katleen Moermans. Voor de Dienst Monumentenzorg Stad Antwerpen werd het onderzoeksproject opgevolgd door Johan Veeckman en Stephanie D’Hulst.
(5) Het masterplan voor de haven waar het project maritiem museum deel van uitmaakt werd in 2010 door de stad Antwerpen en De Vlaamse Waterweg nv toegewezen aan het consortium PROAP/WIT/D-RECTA/IDROESSA.
(6) De sluismeesterwoning aan de Royerssluis werd beschermd als monument op 29 mei 2001.
(7) HIMMLER A., De haveninfrastructuur, in Industriële revoluties in de Provincie Antwerpen, Antwerpen, 1984, p. 333-334; BECUWE F., In de ban van Ceres. Klein- en grootmaalderijen in Vlaanderen (ca. 1850-ca. 1950), Brussel, 2009, p. 21-22; VAN HISSENHOVEN P., Le mouvement des
grains dans le monde, Brussel, 1938; DAELEMANS P., Hebelang van Antwerpen als graanhaven in de 2de helft van de 19de en 1ste helft 20ste eeuw, in Historiant. Jaarboek voor Antwerpse geschiedenis, 5, 2017, p. 69-97. De volgende archiefinstellingen werden geraadpleegd in het kader van dit onderzoek: het fotoarchief van het Havenhuis, het SAMGA-bedrijfsarchief en het Felixarchief Antwerpen, waar relatief recent het archief van het havenbedrijf Antwerpen werd ondergebracht. Zeer recent kwam een bundel met de oorspronkelijke bouwplannen van silogebouw A uit 1893 en de aanbestedingsdocumenten tevoorschijn bij de Dienst Monumentenzorg Stad Antwerpen, een ware goudmijn. Het fotoarchief van het havenhuis is zeer uitgebreid maar (voorlopig) beperkt ontsloten. Het omvat circa negentigduizend foto’s van de Antwerpse haven, waarvan men er momenteel circa drieduizend online kan raadplegen. Archiefdocumenten uit het SAMGA-bedrijfsarchief werden digitaal bezorgd door de firma, met een heel deel plannen en informatie over de installaties.
(8) BECUWE F., op. cit., p. 21-22.
(9) Een verslag van de Commissie van Financiën beschrijft de overeenkomst: “Deze inrichtingen (...) zullen 900.000 hectoliters kunnen in magazijnen bevatten, en beurtelings worden gebouwd in 3 blokken, kunnende elk 300.000 hectoliters inhouden. Het Comiteit, richtte zich derhalve tot het Gemeentebestuur ten einde in huur te bekomen den grond langsheen de kaai nr. 50 van het Lefebvredok, voor het maken van eene eerste groep magazijnen, en in keus te verkrijgen de gronden der kaaien 49 en 51, met het oog op verdere uitbreiding (...)”. SAA, Verslag der Commissie van Financiën, Bouwvergunningen, inventarisnr. 1893*979 (25 januari 1892).
(10) HIMMLER A., De haveninfrastructuur, in Industriële revoluties in de provincie Antwerpen, 1984, p. 316.
(11) SAA, Private archieven (A. Himmler), Promotiebrochure, inventarisnr. BA*780 (1977).
(12) HUYBRECHTS J., Frans Van Dijk. Architect te Antwerpen 1853-1939, Antwerpen, 1994.
(13) De omvangrijkste plannenset bevindt zich bij de Dienst Monumentenzorg Stad Antwerpen (Dienst Monumentenzorg, dossier SAMGA, zonder inventarisnr. 73 stuks plannen). Een beperkter aantal plannen is gedeponeerd in het Felixarchief.
(14) Het oorspronkelijk bestek van de bouw bestaat uit 2 delen. Deel 1. Cahier des charges relatif à l’entreprise des travaux à effectuer pour la construction des magasins à grains à ériger aux quais 49 50-51 du bassin Lefebvre à Anvers pour compte de la société anonyme des magasins à grains d’Anvers (Dressé par l’Architecte soussigné. Anvers le
10 mars 1893. Fr. VAN DYCK). Deel 2. Entreprise de l’outillage des magasins à grains à construire aux quais 49-50-51 du bassin Lefebvre à Anvers. Cahier des charges. Notice Explicative. Bordereau. Objet de l’entreprise. L’entreprise comprend la fourniture et l’installation des ouvrages et appareils suivants: 1) les transporteurs de grains dans les galeries situées sous les quais et sous le bâtiment ainsi qu’à l’étage audessus des silos; 2) les élévateurs dans le bâtiment; 3) au quai nr 49 une tourelle avec un élévateur destiné au déchargement d’allèges; 4) un système de ventilateur dans les silos; 5) un appareil à cribler et nettoyer le grain; 6) trois monte charges dans le bâtiment; 7) les chariots déverseurs, les chariots récepteurs, les appareils de fermeture des silos, les tuyaux de conduite du grain et en général tous les récipients intermédiaires servant aux divers mouvements du grain; 8) tous les organes de transmission de la force motrice, leurs supports directs ainsi que ceux des diverses parties de l’outillage. Antwerpen, Dienst Monumentenzorg, dossier SAMGA, zonder inventarisnummer (2 boekjes).
(15) Voor een historisch overzicht van de typologie van karen, zie het standaardwerk SCHUBERT A. en SCHMITT E., Handbuches der Architektur, Entwerfen, Anlage und Einrichtung der Gebäude, 3. Halbband: Gebäude für die Zwecke der Landwirtschaft und der Lebensmittelversorgung, 1. Heft, Landwirtschaftliche Gebäude und verwandte Anlagen, Leipzig, 1913 (Kapittel 9: Magazine, Vorrats- und Handelsspeicher für Getreide, p. 214-294).
(16) Een jakobsladder is een verticaal transportsysteem met een ‘omlopende band’ waarop een aaneengesloten reeks bakjes is gemonteerd. Hier is sprake van een gesloten systeem, waarbij de omlopende band door twee evenwijdige stalen kokers wordt gevormd, voorzien van omkeersystemen aan de onder- en bovenzijde. De invoer van goederen gebeurt aan de onderzijde, de uitstort aan de bovenzijde. Inspectie van het transportsysteem gebeurt via luikjes.
(17) Een redler is een gesloten transportsysteem, waarin droge stoffen door middel van een sleepketting wordenverplaatst. Het systeem is bedacht door Arnold Redler (1875-1958), de stichter van een fabriek van systemen voor intern transport in Stroud (Groot-Brittannië, Gloucestershire) (Archief SAMGA, kaft 5, nr. 22).
(18) In silogebouw A van de SAMGA werden omstreeks anno 2000 de volgende granen en zaden opgeslagen: “tarwe, zomergerst, veevoedergerst, mout, sojabonen, lijnzaad, dari, tritical, rogge, haver, kanariezaad, milletzaad, witte millet, erwten, saffloer, linola, palmistes, rijst, linzen, luzernpellets, boekweit, koolzaad, raapzaad, gierst”. Een aantal karen is omstreeks 2000 buiten gebruik gesteld wegens vochtoverlast en/of overlast van insecten. Insecten werden bestreden door de karen te begassen en schoon te maken.
(19) Mortelanalyse P1 Labo Jägers (3 juni 2016).
(20) Mortelanalyse P5 Labo Jägers (3 juni 2016).
(21) Identificatie door glasrestaurateur Carola van den Wijngaert.
(22) Verfanalyse P8 Labo Jägers (3 juni 2016).
(23) De architectonische vorm van dit silogebouw was van de hand van architect Anghel Saligny (1854-1925). Hij ontwierp ook drie grote silogebouwen in Constanta in 1904- 1915 en 1912-1915.
(24) SCHUBERT A. en SCHMITT E., op.cit., afbeelding p. 268.
(25) BANHAM R., A concrete Atlantis: U.S. Industrial building and European modern architecture 1900-1925, Cambridge-Londen, 1986.